maandag 4 maart 2013

Seizoensgebonden De Zomer van Levi Leipheimer hoofdstuk 1

Proloog en eerste hoofdstuk van mijn roman Seizoensgebonden


Een nieuw gedicht voor Amsterdam
Een ster gaat weer stralen Am*dam
De magie gaat weer werken Am*dam
Het voorjaar komt nader Am*dam
Je wordt weer verliefd Am*dam
Je gaat vrijer bewegen Am*dam
er kan weer gelachen worden Am*dam

Je gaat weer mensen, en jezelf bekijken, Am*dam
Wat ben je foeilelijk lieflelijk mooi, Am*dam
Wat is er niet op je aan te merken, Am*dam
Maar wat houd ik van je, Am*dam
Wat er ook gebeurt, Am*dam
Zes meter onder water, Am*dam

Zwemmen of verzuipen, Am*dam
Geen paniek, Am*dam
Laat niet met je sollen, Am*dam
Ik hou van je Am*dam
En dat zal ik blijven doen, Am*dam
Van je houden, Am*dam
Simon Vinkenoog

Simon Vinkenoog bij de opening van het hoofdfiliaal van de Openbare Bibliotheek Amsterdam 
juli 2007

Seizoensgebonden, een vijfluik
  1. De Zomer van Levi Leipheimer
  2. Herfstval
  3. Winterverleidingen
  4. Lentebal
  5. De Zomer van Maarten Hubertus Hemelsoet
Fel magisch realistische fictie.

Ik heb de druiven van het leven geplukt
De waan van alle dag
Ik perste ze uit tot klare wijn
En destilleerde ze tot een verhaal

Life is what happening to you
While youre busy making other plans
John Lennon

Sommige lezers zullen in dit verhaal personen menen te moeten herkennen, of denken getuige te zijn geweest van enkele van de gebeurtenissen.
Maar bedenkt dat het universum dat het toneel vormt van deze geschiedenissen niet noodzakelijkerwijs het onze is.

De Zomer van Levi Leipheimer

-1-



Het was een dag om nooit te vergeten, zo'n dag waar je wel eens over hebt gelezen, maar waarvan je altijd dacht dat niemand hem ooit echt zou meemaken.
Op een bankje voor de Vondelkerk aan de Vondelgracht zitten twee te dikke mannen van middelbare leeftijd van de primatensoort Homo Ludens Alcoholica met elkaar te praten.
Karel Nooitgedacht en Murk Hemelsoet zijn dronkenlappen, voor dit uur van de dag al aardig dronken dronkenlappen.
Ze worden geflankeerd door twee aangebroken halve liter blikken met een bij daklozen zeer in trek zijnd bier en samen met de aan weerszijden geplaatste vuilnisbakken waaruit al flink wat geleegde exemplaren van hetzelfde merk puilen vormen zij een fraai symmetrisch plaatje in de junizon.
De Vondelkerk staat in het centrum van Louloenen aan den Doolaard, hoofdstad van het koninkrijk Gedogia, gelegen op de plek waar de Noordervliet in de Doolaard stroomt.
Karel en Murk zijn behoorlijk blij dat ze in een land leven waar het voor ruifvreters mogelijk is om de hele dag met een biertje en behoud van uitkering in de zon te kunnen zitten.
Murk proost op de zin van het bestaan.
Leve het hedonisme!”
Karel valt hem bij.
Het leven is waard geleefd te worden.”
Murk verkondigt dat hij daar toch eigenlijk eens een boek over moet gaan schrijven.
Het zit allemaal al in mijn hoofd, het hoeft er alleen nog maar even uit.”
Karel meent te moeten antwoorden dat het hem een grote uitdaging lijkt.
Murk draaft nog maar even door.
En dan zou ik twee hoofdpersonen kunnen scheppen, beide gebaseerd op mijn persoon.”
Karel doet een poging de geestdrift van zijn vriend te beteugelen.
Ja, dat zal best, je ego is er immers groot genoeg voor, ik zeg altijd maar dat het eigen ego eerst komt.”
Murk betoogt nogmaals dat hij zijn megalowaan toch ten uitvoer wil gaan brengen.
Dan kan ik dat tweetal ook meteen mooi gebruiken om er een paar intelligente dialogen aan op te hangen.”
Karel neemt nog een slok en geeft luidboerend commentaar.
Wat een vondst!”
“En wat je vindt mag je houden, nietwaar?” besluit Murk.
Karel knikt bevestigend en neemt een slok bier.

Het gesprek wordt ruw onderbroken door de komst van Harry Spaan die plotseling achter hen is opgedoken en hard “politie, heeft u iets waar uw naam op staat?!” roept.
Harry heeft altijd dezelfde rotgeintjes, terwijl hij toch degene is die de meeste boetes voor het drinken van bier op plekken waar het verboden is heeft opgelopen.
Meestal zit hij niet eens op het bankje waar de consumptie van alcohol nog gedoogd wordt, maar op de stoep voor de kerk, bovendien is hij te beroerd om naar een krul te lopen en pist hij tegen de dichtstbijzijnde boom.
“Murk, je moet even bier halen,” roept Harry.
Je zal hem nooit bier zien kopen, het is onduidelijk of dit komt door zijn luie levensinstelling of het feit dat hij een verbod heeft de supermarkt te betreden.
Hij heeft in ieder geval bijna altijd wel geld voor bier en is gul genoeg om te trakteren.
“Twaalf bier en een pak chocomelk,” gebiedt Harry, “en een plastic tas!”.

Murk drinkt zijn blik leeg, staat op en pakt de hand vol geld van Harry aan en gaat op weg.
Als Murk in de richting van de Jan Campertsupermarkt op het Brederoplein loopt, ziet hij voor de deur van het kantoor van het zakenblad de Speculant een aantal medewerkers staan roken.
Hij bietst een sigaretje en raakt in gesprek met Wouter Bavink, een van de redacteuren, en vertelt hem over zijn megalomane plannen om een roman te gaan schrijven.
Wouter verdwijnt naar binnen en haalt een notitieblok met het logo van het zakenblad.
De eerste hindernis in het leven van een kersverse schrijver, papier om aantekeningen op te kunnen maken, is genomen.

Harry en Karel raken in gesprek.
“Zaten jullie hier al lang?”
“Nou toch al weer twee biertjes, ik begin altijd vroeg, anders heb je echt niks meer aan je ochtendhumeur.”
“Waar woon jij tegenwoordig?”
“In een pension in de Harry Mulischdwarsstraat, dat is een klein dood lopend straatje bij het JanWolkerspark.”
“Wie was dat nou eigenlijk, die Mulisch?” vraagt Karel.
“Ik geloof de een of andere scheikundige,” antwoordt Harry, “volgens mij heeft hij ooit eens de Nobelprijs voor het onderzoek naar de gedragingen van elementaire luchtdeeltjes in een bijna vacuüm bij hoge temperaturen gekregen.”
“Oh, gebakken lucht dus,” concludeert Karel.

Murk keert terug met het bier, voegt zich bij het tweetal, en er worden blikken opengetrokken.
Karel verslikt zich en lalt dat hij eigenlijk helemaal niet tegen bier kan.
“Bij de eerste slok staat het schuim meestal al op mijn mond.”
“Nou, ik heb voorlopig wel weer even genoeg gehad,” zegt Murk en staat op.
“Ik ga even toeristen helpen.”
“Kom je nog terug?” roept Harry.
“Je moet straks nog even bier halen.”

Murk is de kwaadste niet, dat zijn de anderen, hij is wel heel erg behulpzaam, vooral tegenover toeristen die hem een paar penningen of een sigaret willen geven.
Voordat hij toeristen gaat 'helpen' heeft hij altijd een paar biertjes nodig om los te komen.
Hij concludeert mompelend dat het vandaag wel weer zal lukken.
“Het is maar goed dat ik nog wat geld voor bier in m'n zak had, de kost gaat immers voor de buit uit.”
Het beste kan je op mensen met plattegronden, of landkaarten zoals Harry ze noemt, afstappen. Murk legt dan uit dat ze de kaart op z'n kop houden en voor het Rembrandtmuseum of de Kees van Beijnumdijk toch echt de andere kant op moeten.

Na een tijdje keert de dorst onherroepelijk bij Murk terug, hij haalt nog een biertje en loopt naar de Vondelgracht.
Als hij het bankje voor de kerk nadert trekt hij het blik open.
”Effe pauze jongens!”
Het bankje is nu vol.
Eddy Dubois, een uitwijkeling uit het Vlaamse land, is het gezelschap komen versterken.
Eddy incasseert op vrijdag 'bezorgkosten' voor de gratis exemplaren van de Engelstalige LouloenenTimes, een wekelijkse krant die hij bij winkels aflevert.
“Loop je zo even mee?” vraagt Eddy.
Murk lacht.
“Ach ja, waarom ook niet.”
Als Eddy de eerste winkel weer verlaat laat hij triomfantelijk een briefje van vijf Gedogiaanse Florijnen zien.
“Ze geven hier altijd gul,” verteld hij Murk, “en volgens mij lezen ze die krant niet eens.”
Times is money!” juicht Murk.

Het is een week nadat het rookverbod in de cafés in Gedogia van kracht is geworden, nu de rookaanslag de muren en plafonds niet langer teistert bestaan er geen bruine kroegen meer.
“Het moet niet gekker worden,” verzucht Eddy, “je kunt nu al een boete krijgen als je op een terras staat te roken.”
“Je zult maar een strakke broek aan hebben,” vult Murk aan, “als je dan gaat staan om je aansteker uit je zak te wurmen heb je al meteen een boete aan je pantalon.”
“Ik denk dat ik naar Spanje ga emigreren,” briest Eddy, “je mag hier niets meer!”
“Je mag op straat niet eens een biertje drinken,'' stemverheft Murk,”daar mag je dan nog wel roken, maar op terrassen moet je dan weer zittend drinken en roken, het is je reinste terrassendiscriminatie!”

Als Eddy en Murk te veel gedronken en te weinig geld over hebben gaan ze elk hun eigen weg.
Murk neemt de Aagje Dekenstraat in de richting van het hoofdspoorwegstation.
Voor hem loopt een zwerver die tegen elke vrouw ''mevrouw mevrouw, ik hou van u'' roept.
Een oud gebocheld mensje kijkt naar hem op en roept ''slijmerd''!

Murk vervolgt zijn weg naar huis en mompellacht.
“Ze worden met de dag gekker.”
Hij neemt de pont over de Doolaard naar de JandenHartogwerf in Oost.
Hier vandaan is het nog vijf minuten naar de woonark in het Willem Brakmankanaal tussen de Bordewijk en de Volenwijk waar hij met zijn moeder woont.

Murk opent de voordeur.
“Daar ben ik weer!”
Mevrouw Hemelsoet schuifelt de gang in.
“Waar ga je heen?”
“Nee, ik kom net thuis ma,” verklaart Murk.
Hij trekt zijn schoenen uit en zachtmurmelt.
“Ze wordt met de dag verwarder.”





Met dank aan
Zonder wier raadgevingen en correcties Seizoensgebonden nog vol met foutjes, die je als schrijver in je eigen werk nu eenmaal over het hoofd ziet, zou staan.




Meer fragmenten uit Seizoensgebonden vindt u hier







Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen